Webbers en de draak

Door Theo-Henk Streng

Op het stadsplein was het een drukte van belang.
”Hij eet mijn hele oogst op!”
”Bij mij heeft hij de appelbomen in de fik gezet!”
”Het is een monster. Hij eet vast en zeker ons ook op, als er niks anders meer te halen valt!”
Webbers hoorde het allemaal aan. ”Waar gaat dit over?” vroeg hij aan buurman Smullers.
”Er is een draak gesignaleerd,” fluisterde Smullers. ”In de bergen buiten de stad.”
”Een draak?” Webbers’ ogen werden groot. Zijn hondje Webbie piepte angstig. ”Wat voor een draak?”
”Zoals ik het zeg. Gewoon, een draak. Groot, geschubd en met een staart.”
”En hij spuugt echt vuur?” vroeg Webbers.
”Inderdaad. Bij boer Fluitsma heeft hij de hele oogst opgegeten. En de appelbomen van meneer Peer zijn verbrand. Dat monster maakt de hele stad kapot, als we niet oppassen!”
Webbers keek even naar Webbie. ”Dat lijkt me een goede zaak voor ons,” zei hij.
”Echt waar?” vroeg buurman Smullers.
”Ga jij de draak verslaan?” vroeg nu ook bakker Bastiaansen. ”Jongens, horen jullie dat? Webbers gaat het opnemen tegen de draak.”
Webbers slikte. Het was niet de bedoeling dat iedereen dat hoorde. Nu kon hij niet meer terug. ”Ja, ik ga naar de draak.” Hij knikte dapper.
”Goed man,” zei Elvin, de bekende popzanger. ”Misschien moet je een zwaard meenemen.”
”Of een pistool,” opperde iemand anders.
”Ik neem Webbie mee,” zei Webbers. ”Dat zal wel genoeg zijn. Hoop ik…”
Nadat ze hem allemaal succes hadden gewenst, liep Webbers de stad uit. De bergen in. Hij begon nu toch een beetje bang te worden. Ze waren hier wel mooi alleen. Webbie begon steeds zachter te lopen. Zeker toen ze rookpluimen boven de bomen uit zagen komen. Daar moest de draak zijn.
Achter de bomen bevond zich een huisje. Er kwam veel rook uit de schoorsteen, maar ook door de ramen. Zelfs uit de brievenbus kwam een pluimpje rook.
Webbers slikte. ”Klop jij aan of doe ik het?” vroeg hij.
Webbie piepte.
”Goed dan.” Webbers klopte op de deur.
Heel even bleef het stil. Toen klonk er een gedempt: ”Ja?”
”Hallo? Meneer de draak? Mag ik even binnen komen?”
Van binnen klonk gesnuif en gesnotter. ”Natuurlijk… kom erin…”
Webbers stapte het hutje binnen. Hij had nog nooit een draak gezien, behalve in boeken en op televisie. Maar wat hij hier aantrof was wel heel verrassend. De draak was helemaal niet zo groot. Hij zat op een leunstoel met dekentjes om zich heen. Zijn geschubde staart rustte in een bak met water.
”Wie zijn jullie?” snotterde de draak. Hij kuchte nog eens en stak zijn poot voor zijn neus.
”Ik ben Webbers,” zei Webbers. ”En dit is Webbie. We zijn hier om met u te praten. De mensen in het dorp hebben namelijk eh… last van u.”
De draak kneep zijn ogen tot spleetjes. ”Last?”
Webbers knikte. ”U begrijpt wel. U eet de oogst op en u verbrandt appelbomen. Ze zijn bang dat u ook… nou ja, dat u hen ook op eet.”
De draak begon te lachen. Een holle, lage lach. Een vlam schoot uit zijn keel en ketste af tegen het plafond. Webbers kon net op tijd achteruit stappen.
”Nee joh!” zei de draak. ”Doe niet zo gek! Ik woon hier nog maar net en ben hartstikke verkouden.” Hij opende zijn mond. ”Ha… ha… ha… HATSJIE!” Een enorme vlam schoot door het raam naar buiten en zette een deel van het bos in de hens.
”Mijn hemel,” zei de draak. ”Houd het dan nooit op?”
Verkouden?, dacht Webbers. ”En die oogst dan? Waarom hebt u die opgegeten?”
”Ik dacht dat het me beter zou maken. Maar het heeft niet geholpen.” De draak moest bijna weer niezen, maar kon nog net op tijd zijn poot voor zijn neus houden.
Webbers was opgelucht. De draak was nog helemaal niet zo erg. Hij knielde bij Webbie en fluisterde wat in zijn oor. Webbie blafte en rende de hut uit.
”Het komt helemaal goed, meneer de draak,” zei Webbers.
Terwijl ze op Webbie wachtten, zette de draak een kopje thee en kletsten ze wat over de stad en de vele reizen die de draak had gemaakt. ”Maar nu ben ik toe aan rust,” zei hij. ”En daarom woon ik hier.”
Webbie kwam terug. In zijn bek hield hij wat kruiden. Webbers nam ze aan en roerde ze door de thee. ”Kijkt u eens, meneer de draak. Als u dit opdrinkt, bent u vast snel weer beter.”
”Ik hoop het,” zei de draak. ”En als het zover is, moet je je vrienden maar eens meenemen. Dan kunnen we een potje kaarten. Dat vind ik altijd erg leuk.”
”Dat doen we zeker,” zei Webbers. Hij wenste de draak beterschap en samen met Webbie ging hij terug naar de stad.


Einde

Leuke websites

Geen zin om met Webbers te spelen? Klik hier om naar andere leuke websites te gaan.

Spelletjes

Ook leuk: